Op een bankje

 Ik zit in het bejaardentehuis, ofwel de bieb. Er zitten alleen maar bejaarden om me heen met een enkele hardwerkende Nederlander. Ik zit naast de trap, er is koffie en een koekje. Ik zit hier. Sommige mensen hebben haar, sommigen hebben koffie en er is er een met een krantje. Plots staat iedereen op, wat is er aan de hand, is de pauze voorbij? Buiten loopt een hele parade hardlopers met kerstverlichting om. 

Vanochtend kwam Marit langs met haar grote ringoorbellen. Ze had donkere wenkbrauwen en een ovale vorm gezicht. Ze had een grijs pakje aan. En ik niet. Ik zei tegen der dat ze een mooi pakje aan had. Er is iets moois hier en ik moet dankbaar zijn voor het mooie van vanmiddag. Ik keek naar de vogels vanaf het bankje in het park. De zon was van goud aan de overkant van het water. Er waren allemaal vogels, zwanen, kievieten, eenden en andere drijvers. Een drijger. Er was een soort vogel die leek op een eend maar zeker iets anders was, die bleef niet goed drijven. Die zonk een klein beetje maar dook wel steeds onder. Er waren kringen op het water. Er was een zwaan die sprijdde zijn vleugels om op de kade te komen. Ik had muziek aan van Krezip, de stem van Jacqueline klonk zo zacht, empathisch en glanzend, van fluweel en de zon daar ging onder. Er was een hardloper die vier keer langs kwam lopen, een paar jongens die bezig waren met hun eigen dingen, vrouwen met kinderwagens en alles wat ik dacht was: 'Het leven is zo prachtig.' Alles belandde op zijn plek. En als ik nog vier uur wilde blijven zitten, dan had ik die vrijheid. Het was sinds de zomer dat ik me zo goed heb gevoeld. Ik had er een huis willen bouwen en gaan wonen. Het waren de dieren, de voorbijgangers, de gouden zon, een man met een babyrugzak en een baby. Het moment was als een zachte warme deken, werd één met de wereld.  

Reacties