Zweden
Ik zit achter de computer op mijn kamer en hoor de klok tikken. Mijn armen liggen op het toetsenbord en mijn vingers weten waar de letters zitten. Er klinkt rustige muziek. Ik zit te mijmeren over een boottocht in Zweden toen ik door een vriendelijke man op zijn speedboot naar de volgende plek werd gebracht waar ik m'n wandeling vervolgde. Ik stond op van m'n stoeltje en spreidde m'n armen en voelde me levend met de wind tegen m'n lichaam terwijl de boot met zestig kilometer per uur over het water scheerde. Voor ons lag de open zee, rechts de kust en links kleine rotsachtige eilandjes met een paar dennenbomen en schapengras. De man droeg een roze polo, een khaki korte broek en een zonnebril, hij was een jaar of vijftig met korte grijze haren. Hij bracht me naar een klein verlaten haventje met één vissersbootje aangemeerd aan een langgerekte stijger en een havenhutje. Er waren twee mensen aan het suppen. Het was een warme ochtend maar ik had nog een hele dag te wandelen. Het zeewater was echter een graad of twaalf. 'If you ever need another ride you just call me.' zei hij. Ik zei thanks tegen de man en liep vanaf de steiger naar de bosrand terwijl ik m'n handen op m'n broekspijpen legde. Er hoorde iets te zitten wat er niet zat, een gevoel van paniek overviel me. Ik draaide me om en zag dat de man op de boot al in de richting van de zee gedraaid was en het gas indrukte. Het water gutste agressief naar achteren om de boot naar voren te vuren. 'Waaaaait!' blèrde ik.
De man keek gelukkig om.
'My phone!' ik zag hem liggen op het stoeltje naast hem.
'You lucky bastard.' zei hij en pakte de telefoon en overhandigde hem.
'Thanks.' We groetten elkaar voor de tweede keer en vervolgden onze wegen, ik veegde het zweet van m'n voorhoofd; dat was kantjeboord.
Via haven Hummelvik liep ik het bos in en al snel hield het pad op. Ik wist van mapy.cz, een verbeterde versie van google maps, dat er even verderop een wandelpad lag. Maar daarvoor moest ik eerst door een berg van dooie bomen banjeren. De takken schuurden langs m'n blote benen en maakten schrammen en ik struikelde een paar keer en belandde plots in een kortgemaaid gazonnetje tussen alle dennebomen. Even verderop, naast een huis liep een man, en vanaf daar zou ik op het wandelpad moeten belanden. Ik voelde me hoogstens ongemakkelijk maar besloot te doen alsof ik verdwaald was. Ik liep naar het huis. 'Goh zeg! Ik hier?' zei ik en keek eens om me heen, daar lag een moerassig meertje verdekt onder het riet. 'Mooie vijver.' zei ik.
'Wat doe jij in mijn tuin?' vroeg de man.
'Sorry, ik ben slechts een verdwaalde passant. Ik moet naar het wandelpad.'
'Je staat in mijn tuin.' zei hij weer. Zijn blik was strak naar mij gericht, hij vertrok geen spier. Ik wist dat ik fout zat. Ik liep door en zei nogmaals 'Sorry.' en belandde op het wandelpad. Onderweg kwam ik langs een huis waar ze gratis flessen met water hadden neergelegd voor wandelaars. Ik nam het ervan, goot een fles leeg over mijn gezicht en dronk een andere fles leeg, pakte nog een fles en stopte het in het zijnetje van m'n tas. Attent van die mensen, gewoon al om te denken aan de wandelaars. Ik wist niet dat het vijfhonderd kilometer lange pad zo vaak bewandeld werd; het was een oranje pad die van Stockholm met een omweg naar Stockholm liep. Het bleek wel dat het veel bewandeld werd want een kilometer verderop lag een dunne lange man met blond haar en brede wandelschoenen in het gras, pal in de zon. Hij leunde met zijn hoofd op zijn tas en had een doekje over zijn gezicht. Ik vroeg me af of hij uitgedroogd of uitgeput was. 'Hey.' zei ik.
Hij tilde het doekje lichtjes op waardoor er wat zonnestralen op z'n gezicht vielen.
'Gaat het?'
Hij ging rechtop zitten en leunde met zijn rug op zijn tas. 'Ja ik ben oké.' Hij gaf me een ietwat beknepen glimlach die ook een beetje van een grimas in zich droeg.
'Verderop is een huis met gratis water.' zei ik.
'Ik weet het, ik kom daar ook vandaan.'
'Ah, dus je moet dezelfde kant op?'
'Ja.'
'Oké.'
Hij zette zich af van zijn tas en hurkte op met een geluidje: 'Joepa.' en stond. Hij liep het zondoorschijnende dennenbos in. Ik liep achter hem aan, en vanaf dat moment liepen we samen verder. We liepen achter elkaar aan, keken naar de oppervlaktewortels die een soort trappetje vormden op het heuvelachtige pad. 'Hoe heet je?' vroeg ik.
'Ola. And you?'
'Fred. Hoe lang ben je al aan de wandel?'
'Ik loop alleen dit weekend. Daarna ga ik weer naar huis.'
'Oh, je bent een weekendwandelaar!'
'Ja, ik moet een beetje fit worden want ik ga binnenkort een soort cachecompetitie doen.'
'Wat is dat? Ik bedoel, ik ken dat cache spelletje wel maar hoe maak je daar een competitie van?'
'Het is niet echt cache maar het lijkt er op. Het is in Bulgarije in een natuurgebied, waar de caches radiosignalen uitstralen en op die manier kunnen we ze vinden. Degene die na een week de meeste caches heeft die wint de competitie.'
'Wauw, dus dan ben je echt in je eentje in de natuur en kampeer je dan ook in het wild?'
Zijn kuiten waren lang en dun. Daar keek ik naar. 'Ja, het gaat om wandelen, zoeken, kamperen, overleven. Ik ga samen met een vriend, dus we zijn met z'n tweeën.'
Bij een open plek op een rots hielden we een pauze en aten we wat. Beneden ons gaapte een rustige oneindige oceaan die zachte golfjes sloeg op een strandje van nog geen tien meter. Tussen twee rotsen wasten drie mensen zich naakt in het koude water. Er kwamen nog twee wandelaars van de andere kant. Ola at gedroogd voer uit een blits zakje dat hij in een pannetje stopte op een gaspitje en met water vermengde. Hij klapte een vorklepelmes open en roerde zijn eten, dat veranderde in een rood papje van tomatensaus met bonen. 'Ik heb nog twee zakjes van dit spul. Ze hadden een aanbieding van vijf zakjes voor twintig euro. Dus ik dacht, die moet ik hebben. Het is bergwandelaarsvoer voor mensen die de Mount Everest beklimmen. Ik heb het van de Decathlon.'
'Ja, die hebben echt heel veel. Het is echt een fijne winkel. Maar jij wandelt dus om fit te worden?'
'Ja, maar ook om de prestatie.'
We keken over de zee uit. 'Ik wandel omdat ik het leuk vind.' In het begin had ik even het gevoel dat dit niet leuk zou worden, maar ik vond de passie een dag later en rook vanaf die dag de zoete geur van koekjes. Ik wandelde ook om af te vallen. In de ochtenden at ik niet en wandelde tien tot vijftien kilometer, en in de avond nam ik een warme maaltijd en deed de volgende dag weer hetzelfde. Dus ik kreeg zo'n duizend calorieën per dag binnen en verbrandde er vier tot zesduizend per dag. Ik zag mijn buik met de dag krimpen. Die positiviteit maakte me krachtig waardoor ik nauwelijks merkte dat ik voeding te weinig kreeg. Dit vertelde ik ook aan Ola.
'Eet jij niet?'
'Nee.' ik legde mijn handen op mijn buik en schudde het heen en weer. 'Er zijn nog zat reserves.'
Dat was een goed moment om verder te lopen. Hij trok zichzelf naar boven met een persende: 'huppake!' en stond. 'Ja, als je oud bent moet je herstellen.' zei die.
'Heb jij weer!' zei ik, 'Ik kan een dag wandelen en voel de volgende ochtend niks meer.'
'Heeft ook met fitheid te maken.' zei die getergd, omdraaiend om het feit dat hij ouder was. Hij was dunner en langer. Hij liep meestal voor me en soms liep ik voor. Het gebied was heuvelachtig en rotsachtig. We kwamen bij een begraafplaats aan waar ze soldaten van een middeleeuwse oorlog tussen Zweden en Denenmarken hadden begraven. Het waren de overgebleven restanten van een ruïne maar er lagen vooral een paar stenen in de vorm van een vierkant. Het waren stenen, alles was steen. Er waren bomen, rotsen en vooral veel bosbessen. Overal groeiden bosbessen en vaak frambozen. We aten ervan. 'Bloedsuiker.' kermde Ola. Hij plukte veel frambozen en at ze op. We liepen alweer een paar uur met elkaar, heuvel op, heuvel af. 'Pfff' steunde hij. 'We zijn bijna bij een kraan.' zei ik, het stond aangegeven op mapy.cz. We hadden ondertussen al twintig kilometer gelopen en waren uitgedroogd. Het was spierpijn. 'We hebben in Zweden een kever.' begon hij, 'deze kever verstopt zich onder de bast van bomen en nestelt zich in het hout en graaft zich daar in. Dan heeft hij daarvoor een holletje, en normaalgesproken overleven ze de winter niet. Maar nu het warmer is geworden overleefd deze kever de winter en sterven de bomen af. Hele bossen gaan dood door deze kever.' En inderdaad, toen ik om me heen keek zag ik de naaldloze dennenbomen.
We kwamen bij de kraan aan en spoten het water over elkaar heen. Hij bij mij, ik bij hem. Flessen met water gingen leeg en ik dronk zeker twee liter; je wist in Zweden nooit wanneer je de volgende kraan tegen zou komen, en of je nog wel in een bewoond gebied terecht gaat komen. Ola kwam dat niet meer, die zocht een plekje naast de zee, op een rots waar hij zijn tent neerzette. We stopten en gaven elkaar een hand om deze ietwat droge ontmoeting te beëindigen.
Ik liep verder in de hoop een goede plek te vinden voor mijn hangmat. Ik kwam uit in een klein dorpje, had vooral zin in een beetje levendigheid dus besloot er heen te lopen. En al snel kwam ik in het centrum terecht. Daar waren een paar cafeetjes en een foodtruck die zijn eigen geïmproviseerde terras had afgerasterd. Dit afrasteren moesten ze doen in Zweden, dat was een wet omdat ze anders geen bier mochten verkopen; je mag namelijk geen bier drinken in het openbaar. Supermarkten mogen ook alleen alcohol onder de 3,5 procent verkopen vanwege het grote alcoholmisbruik waar Zweden vroeger mee kampte. dus creëerden rijdende kraampjes hun eigen terrassen. Ik liep er omheen en de ingang was moeilijk te vinden, er was geen ingang. Dus ik klom eroverheen. er stond een kale man achter de toonbank. 'Wat doe je in Zweden?'
'Wandelen.'
'Waarom ga je dan niet naar Noorwegen?'
'Omdat ik surströmming wil eten.' Surströmming is gefermenteerde vis. Mensen gaan al over hun nek bij de geur ervan, er worden dan ook veel challenges mee gedaan door Youtubers en het is populair bij vriendengroepen die gek willen doen.
'Hahahaha. Dat heb ik helaas niet. Ik heb wel Elandvlees.'
'Doe dat maar, een stuk Elandvlees en een stoer stark (grote bier).'
Hij zat te grappen met iedereen, had een schort voor en zijn armen over elkaar heen geslagen terwijl hij een groot slagersmes vast had. Hij bracht me het eten en ging tegenover me zitten. 'Dit vlees heb ik zelf geschoten. In de winter, wanneer er geen toeristen komen, ga ik de bossen in, op jacht naar Eland.' Hij had alcoholistische wallen onder zijn ogen, maar straalde een charismatisch zelfvertrouwen uit. Hij dronk een biertje met me mee en liet zijn vrouw en dochter in de truck. 'Waar ga je morgen heen?'
'Kolmården.'
'Oh daar zijn veel dieren.' zei die.
Ik moest lachen. 'Wat doen al die dieren daar?'
'Daar is de grootste dierentuin van Zweden.'
Ik had er nooit iets van gezien, blijkbaar gemist. We praatten een poos over vlees en zijn leven. 'Waarom zijn jullie tot negen uur geopend?' vroeg ik.
'Omdat ik op tijd thuis wil zijn. Ik moet nog een heel eind rijden.' Waar we waren op de kaart, was een groot estuarium, een delta van wel vijftig kilometer lang vanaf waar de rivier eindigt tot waar de zee begint. En de overkant van deze baai was slechts drie kilometer. En er was een pont die tot tien uur de oversteek maakte. Dus wilde de beste man deze pont halen. Zijn vrouw en dochter waren ondertussen klaar met schoonmaken. 'Ik ga maar weer eens aan het werk.' zei hij en stond op, liep rechtop met zijn borst vooruit langzaam naar zijn foodtruck. Ik at mijn vlees op en ging terug naar de hangmat die ik eerder opgehangen had tussen twee bomen op een rots naast een badplaats. Ik maakte een vuurtje en rookte een paar sigaretten, keek uit over de baai en zag de gouden zon ondergaan.
Ik had enorme pijn op de plek waar mijn liezen langs mijn geschoren scrotum schuurden. Ik kreunde en steunde en liep met wijde benen alsof ik in m'n broek had gepoept. Ik jammerde en stond vaak even stil om vervolgens weer een paar stappen te zetten om mijn onderbroek over de schuurplekken te trekken om weer een paar moeilijke stappen te zetten. Waarom moest ik zo nodig mijn prostaat scheren. Dit moest ik oplossen. Op een openbaar strandtoilet bekeek ik de plekken en schrok me rot. Het was knalrood, bloederig alsof de huid opengehaald was na een sliding op een kunstgrasveld, en er zaten vellen los. Ik had het moeilijk en voelde me hulpeloos omdat ik verder moest wandelen, er waren in dit verlaten gebied geen bussen. Ik pakte mijn EHBO kit en vond: pleisters, blarenpleisters, betadine, een tandenborstel, schapenvet en een watje. Ik besloot het met schapenvet te doen en smeerde de plekken in met de hoop het meer te laten glijden, maar belangrijker, ik besloot dat het afgelopen was met dat gejammer. Ik trok m'n broek aan en accepteerde de pijn van het wandelen. Het gebied was gevuld met bossen en links de zee, het pad was wortelig. De pijn ook, het wortelde in mijn broek maar mijn ziel was gefocust met mijn blik naar voren en mijn aandacht bij de volgende stap. Zo vergat ik de pijn en kon ik me bezighouden met mijn slaapplek, die ik vond aan de zee. Twee bomen waren synchroon aan elkaar boven de zee gegroeid. Dat was mijn plek omdat de muggen bij het zoute water weg zouden blijven. Waar het normaalgesproken een muggenfestijn was, waren ze deze avond weggebleven. Ik maakte een knus kampvuurtje in een stenenrondo en zette een pannetje op het vuur met water dat zo drinkbaar was uit een stroompje. De twee bomen deden het uitzicht lijken op de lijst van een schilderij. Met alle denkbare schakeringen paars kreeg de hemel een aurora achtige gloed vermengd met heldere sterren. Ik zocht de grote beer en hoorde het water zachtjes borrelen op het vuur. Ik had er wat dennentakjes in gedaan en liet het even trekken tot thee. Met m'n benen rustig over elkaar heen lag ik met een uitgeput voldaan gevoel in stilte over de zee uit te kijken. Ik hoopte dat deze avond nooit voorbij ging. Ik dacht aan de theorie van Tolstoy, die schreef dat een mens moest lijden om de ziel te dienen zodat hij in de avond rust had. Dit was vanavond waarheid.
De volgende ochtend waste ik me in de zee en schoor mezelf. Ik was bevrijd van schuurpijnen en zette consistente stappen naar de volgende plek, Kolmården, wat je uitspreekt als Kolmoarden. Het landschap was veelal hetzelfde als de afgelopen dagen, met dennenbossen, heuvels en grote ovaalvormige rotsen en wandelpaden gemaakt van uit de grond gekropen boomwortels. Ik had nog niets gegeten na anderhalve dag toen daar plots een enorme kersenboom stond vol met de prachtigste grootste bordeauxrode kersen. De takken spreidden zich over een korrelig schelpenstrandje en ik had honger. Dus ik sprong op om een tak te pakken en alle kersen die het droeg in m'n mond te stoppen. Vijf tegelijk, nog vier, plus drie. Ik plukte ze en zoog ze van het steeltje. Ik was veranderd in een vreetmachine, alles waar ik bij kon belandde in mijn mond. Het zoete sap dat er uit stroomde wanneer ik het tegen m'n gehemelte plette smaakte verfrissend maar zo zacht en teder. Ik veranderde in een kers toen ik de vijftigste met pit en al doorslikte. Ik begon een lichtelijk ongemak in mijn maag te voelen, een verzadigd opgeblazen gevoel. Ik at nog een paar kersen, bedankte de boom en wandelde naar Kolmården. Hier kwam ik op een camping, een grote camping met trekkershutjes op de heuvel, campers, een voetbalveldje en een zwembad. Ik hing m'n hangmat op in een koeienweiland zodat ik gebruik kon maken van het sanitair maar niet hoefde te betalen voor een tentspot. Ik vroeg aan het meisje of dat mocht en ze stemde in, ze zei dat er ook een supermarkt was in dit dorpje. Het was een kronkelig weggetje tussen huizen door, naar een grote weg en naar een supermarkt. Ik kocht gezonde producten en maakte een pannetje curry voor mezelf in de keuken van de camping, zoete aardappel met een andere mysterieuze knolachtige groente. Het was echt lekker geworden. Daarna bestelde ik een paar grote biertjes en genoot van het zitten op een terras met een zonsondergang.
Ik had me voorgenomen om naar Göteborg te wandelen vanaf waar ik was. Ik bekeek het van dag tot dag, maar het enige dat me nerveus maakte was dat ik maandag over twee weken weer punctueel op werk moest verschijnen. Ik had nog twee weken de tijd om allerlei dingen te ondernemen in dit prachtige land. Ik was vrij! Maar het wandelen ging me goed af en bracht me plezier en geluk, in ieder dorpje waar ik doorheen liep dacht ik: 'hier zou ik wel eens willen wonen.' Maar mijn buik was nog niet klein genoeg. Ik voelde mijn vetrollen en speelde ermee alsof ik er trots op was. Ik zette mijn eerste stappen na een moeilijke nacht. Er gingen die ochtend honderden negatieve, destructieve gedachten door me heen. Het pad stond vol brandnetels en bramen en liep langs een spoorweg. Ik voelde me depressief en afgetakeld, waar ik vaker last van heb gehad in mijn leven. Ik wilde op die momenten nooit door, maar heb geleerd dat dat juist nodig was. Ik zette een paar nieuwe stappen na een grote suïcidale gedachte, maar die viel in het moment. Er kronkelde een kreekje in een levendige groene omgeving, kleine watervalletjes en rotsen en het geluid van stromend water. Het pad liep langs dit kreekje omhoog, bruggetjes bolwerkten een weggetje, twee tegenliggers liepen voorbij. Ik was weer genezen door de holistische kracht van de natuur.
Het pad liep langs een lange rechte weg waaraan enorme roodgekleurde boerderijen rustten tussen tarwevelden. De zon scheen frontaal tegen m'n gezicht en verwarmde het asfalt waardoor er een hittegloed boven het wegdek waande. Links lag de rustige zee, afgesloten door riet en planten. Mijn voetzolen gloeiden en tintelden bij iedere stap. Mijn knieën schuurden.
De navigatie stuurde me naar een smal paadje langs een kanaaltje die in de zee uitmondde. Het was een drassig brandnetelpad dat in een bosje terecht kwam, waar mijn oude bekende vriend: de mug weer opdook. Ik krijg alweer jeuk als ik er aan denk. Maar deze keer was het er niet één, ze kwamen in zwermen op me af. Ze waren niet weg te slaan. Het was alsof ik in een achterstandswijk van de natuur terecht was gekomen. Een verrotte balk van iets dat een bruggetje was geweest over een riviertje weerhield me er niet van om om te keren. Ik liep met m'n armen gespreid zo stil mogelijk over die balk. Ik kon me vasthouden aan een dun takje dat zachtjes heen en weer waaide met de wind. Nog een paar stapjes en ik zette voet aan de overkant. Als ik logisch had nagedacht had ik kunnen weten dat dat bruggetje al jaren lang niet meer in gebruik was, dus had ik kunnen weten dat het pad daarna ook niet meer in gebruik was. Ik was in de wildernis tussen de muggen beland en durfde niet meer terug. Ik probeerde via de locatie van m'n telefoon op het pad te blijven. Maar de realiteit was een stuk wreder; de begroeiing werd dichter met bramen, vuurdoorn, brandnetels en gladde waterplassen. Nee, dacht ik. Was er dan niemand die dit pad even had kunnen bosmaaien? Waarom had een mens hier überhaupt ooit een pad gemaakt; zodat hij met zijn verrekijker rustig op een stoeltje kon zitten muggen observeren, hoe die beestjes op je huid gaan zitten, een paar stapjes zetten, even wachten; zit ik op de juiste plek, ja, en dan hun naald in je vel boren en je bloed naar binnen zuigen. Slurp slurp slurp. Nee, niemand, behalve ik. Want ik lag op de grond omdat ik gestruikeld was over een tak. De muggen dansten om mijn lichaam. Verdomme dacht ik, lig ik hier... hier in Zweden... De ironie bracht me op de been. Ik stapte maar gewoon vooruit, gaf niks meer om de schrammen en brandnetels en doorns die me prikten. Het zuiden. Na een paarhonderd meter ongemak kwam ik bij een huis. Opgelucht als ik was liep ik over het paadje langs de tuin toen er boos en hard geblaf van achter de schutting vandaan kwam. Een hond rende dol heen en weer. Hij wilde me waarschuwen voor waar hij toe in staat was. 'Pas d'r op' blafte hij berispend met zijn opgetrokken tandvlees. Ik klopte m'n lichaam af en liep via het tuinpad van m'n vader naar de weg. In de zon droogde mijn broek en schoenen langzaam weer op, liep bij een haven waar grof puin werd gestort en zwaaide naar een man in een pick-up-truck. Hallo! Ik kwam in de buitenwijken en het industrieterrein van Norrköping. In een enorme supermarkt kocht ik ontsmettingsdoekjes, zeepjes en wat cola. Ik ging op een grasheuveltje in de berm liggen en deed m'n ogen dicht. Ik zou zo in slaap kunnen vallen van de warmte en tintelingen die door m'n benen gingen.
Norrköping was een leuk oud stadje met gele huizen en een sterk stromende rivier die door het centrum kronkelde waar mensen met vishengels stonden te zwaaien. Ik zwaaide terug.
Bij de receptie van het hotel kreeg ik m'n pasje mee en legde ze van alles uit. Maar ik wilde gewoon zo snel mogelijk op m'n bed liggen. Het was een luxe kamer met een tweepersoonsbed en uitzicht op de binnentuin. Mijn kleren waren smerig en bezweet, ik trok ze uit en wierp ze in de douchecabine en sprong met een opverend plofje op m'n bed. Ik zakte weg als in een bad van rozen en dons. Maar ik wist mezelf er uit te trekken en besloot met m'n schrijfboekje en een stoer stark nog even in de serre van het restaurant te gaan zitten. Tegenover me zaten een paar mensen druk te praten, ik had ook wel zin om te praten. Ik schreef het op: 'Praten.' toen een mevrouw met pornoblond haar mij naar haar tafel wenkte. Ik stond op, bedacht me niet en er werd plaats gemaakt. Aan de overkant zat een mevrouw met dreadlocks op schoot bij een mollige man. Ze zoenden en toen ze klaar waren, zei ze: 'Je hebt een vriendin.' en sloeg hem speels tegen zijn buik. De mevrouw met het pornoblonde haar zat naast me en stelde me vragen: 'Waar kom je vandaan?' 'Wat doe je in Zweden?' 'Wat is je favoriete dramaserie?' 'Hoe oud ben je?' 'Hou je van Zweden?' Heel haar gezicht lachte liefdevol naar me. Ik kreeg ineens ideeën.
We praatten over liefde, Zweden en surströmming.
'Zei er iemand surströmming?' een man van een andere tafel stond op.
'Hij wil surströmming proberen.' zei m'n vrouwtje.
Hij kwam naar ons toe. 'Je moet het absoluut op de juiste manier doen, anders kun je het weggooien.' (dat was hoe de meesten het deden, die kregen het niet eens in hun mond.) 'Je moet het als eerste altijd buiten openen, nooit binnen. Leg het op een broodje met een beetje mosterd en kaas en wat tomaatjes en leg daar de surströmming op, neem kleine stukjes. En dan is het nog steeds niet lekker, maar ja, dat is hoe deze delicatesse gegeten wordt.'
'Ik heb het geprobeerd.' zei m'n vrouwtje, 'Maar toen zei m'n maag: uh uh.' ze draaide haar gezicht van nee. 'en toen ging het zo weer omhoog. Hahaha.'
'Ik moet echt pissen.' zei de man. 'Fijne avond.' en hij liep via de serre het restaurant in.
'Ik ga even roken.' zei het blonde vrouwtje en liep naar buiten.
Het polygame stelletje tegenover me zoenden en toen ze klaar waren draaide ze haar bek naar mij toe en zei: 'Zou jij niet even mee gaan?'
Ik wist niet goed wat ik moest doen maar wellicht was het gewenst in deze situatie, dus liep ik achter haar aan. Ze stond aan de overkant van de straat. Ik liep er heen en vroeg haar: 'Waar zou jij graag nog eens heen willen reizen?'
'Ik ben een oudere vrouw, maar ik verlang zo naar intiem contact met een man, Ik zou graag een caravan willen delen met iemand, samen slapen, lieve woordjes praten.' Ze nam een hijsje van haar sigaret en wachtte op m'n antwoord.
Ik wist het niet zo goed, ik had nu de kans om haar uit te nodigen in m'n kamer, maar in plaats daarvan zei ik: 'Ik hoop dat zo iemand vind.'
Ze keek naar droevig naar beneden.
Shit, ik had het verkloot. Ik had de kans om met haar naar bed te gaan. Ik keek ook naar de grond. We zouden samen een leuke nacht hebben gehad, de volgende ochtend wakker worden, een eitje eten met een kopje koffie in het restaurant, de dag vervolgen in een spa na een stads tour, en daarna Zwemmen in de rivier en barbecueën met de vissers naast een kampvuurtje.
'Ik ga weer naar binnen.' zei ze jammerlijk.
'Ik heb een tweepersoonsbed!' onderbrak ik haar lopen.
Ze aarzelde even en zei toen: 'Ik ga opzoek naar die man.' en liep naar binnen.
Ik liep teleurgesteld het restaurant in waar groepen jongeren zaten; een mooi meisje met een prachtige donkerrode jurk zei: 'Hej' tegen me en lachte er bij.
Ik zei 'Hej' en liep door, voordat ik uitgenodigd kon worden voor een drankje. Ik was moe en wilde naar bed. Ik ging mijn rozenbad opzoeken. Ik sliep die nacht in een lange droomloze slaap.
De volgende ochtend aan het ontbijt bedacht ik me dat het een mooie dag was om te rusten. Het werd geen bijzondere dag; het regende buiten dus ik bleef lekker binnen om een beetje Zweeds te leren. 'Hej Do' betekende 'doei' 'Hur mår du' - 'hoe gaat het?' 'Vilket Jäkla väder.' - 'Wat een kutweer.' Ik was geïnteresseerd in taal, maar de moraal werd uiteindelijk, dankzij de Zweden die ik ontmoette naar de scheldwoordenkant gesleurd. 'Rövslicker' was kontenlikker, 'Du jävla rövslicker.' verdomde kontenlikker.
Ik ging in de avond naar het dakterras om gebruik te maken van de hottub en de sauna. Ik kwam hier een Amerikaanse Zweed tegen met zijn vrouw en kinderen. Ze waren deze dag naar de dierentuin geweest in Kolmården. 'Was het leuk in de dierentuin?'
'Ja! We hebben een olifant en een giraffe gezien!' Ik moest er om lachen, al voelde ik me nooit comfortabel bij kinderen. 'Wat spreken jullie goed Engels!' zei ik
'Onze papa komt uit Amerika. Wij kunnen Zweeds en Engels.' De vader had een enorme gevlochten baard en leek op een gedrongen versie van Jake Paul. Hij vroeg me waarom ik deed wat ik deed en keek verbaasd toen ik zei: 'voor de lol.' Met de bubbels tegen m'n huid en een koud biertje in mijn hand was het uitzicht over de stad oké, zeker niet slecht. Een paarse hemel van een zakkende zon sloeg als een mantel over de daken van de stad. Ik en Adrian, de Amerikaan, gingen naar de sauna, waar de lucht nogal droog door onze luchtpijpen stroomde. 'Het gaat wel goed met Trump, heh.' zei ik op een subtiele manier, om te weten te komen of hij een Trumpaanhanger was.
'Helaas wel ja.' Gelukkig hadden we dezelfde politieke opvatting.
'Het is een demente, confabulerende, narcistische baby.' zei ik.
'Ja, om hem aan de macht te hebben voelt als een dronken vader die achter het stuur zit, waarvan de moeder te bang is om in te grijpen omdat ze anders geslagen wordt. Sommige mensen vinden het opwindend en spannend en gaan goed op de kick, maar het is wachten op een ongeluk.'
'Mooi gesproken.'
'Zo voel ik dat.'
Ik keek naar het raam en bedacht me wat ik morgen ging doen. De man van het elandvlees had me verteld over een boottocht, waar je een nacht kon kamperen op een onbewoond eiland en de volgende dag weer terug kon gaan naar vast land. Of ik ging proberen wandelend naar Linköping te komen, een wandeling van vijftig kilometer.
'Ik ga eruit.' zei Adrian met een rood hoofd.
Ik ging er ook uit. Ik moest een besluit nemen over morgen en besloot om... dat met een biertje in het restaurant te besluiten. Maar hoe meer ik er aan dacht, hoe besluitelozer ik werd. Totdat ik buiten zittend op de stoep van ellende met m'n handen tegen m'n slaap gedrukt naar de grond staarde.
'Gaat het goed?' vroeg iemand.
Ik keek op. 'Ik ben aan het besluiten.' Hij droeg een witte bloes en was slank van postuur, een jaar of vijventwintig, duidelijk aangeschoten.
'Oh als je liever alleen gelaten wordt dan ga ik nu.'
'Nee hoor, het is goed.'
Hij kwam naast me zitten en sloeg zijn arm om me heen. 'Ben je op vakantie?' vroeg hij.
'Ja, ik ben vanaf Stockholm hier heen gelopen.'
'Gelopen?!' hij leek te schrikken. 'Dat is inspirerend! Waar ga je morgen heen? Ik wil met je mee lopen!'
'Morgen ga ik naar Linköping.' zei ik, kennelijk besloten. Het voelde als een verlossende zucht die het leven een stuk lichter maakte.
'Morgen ben ik nog hier, maar geef me anders je nummer. Dan bel ik je op wanneer ik vrij ben. Ik ben nu wel dronken, maar ik ben het echt van plan. Wat jij doet is inspirerend!'
Ik deed het inspirerend lijken omdat ik had gezegd dat ik spontaan was gaan lopen vanaf Stockholm en het tot hier had gemaakt. Ik plande niets en bekeek het van dag tot dag. 'Tot snel.' zei hij en wees me na met een zwaaiende wijsvinger die daad sprak.
'Hej Då!'
De volgende ochtend stond ik vroeg op, zat gefocust met een kopje koffie in het restaurant. Ik zat gespannen maar daadkrachtig vooruit te staren naar het enorme assortiment aan voedsel dat het ontbijt te bieden had; chafing dishes met eieren, ontbijtspek, worstjes, bonen, granen, yoghurt, jus d'orange en wat er maar te verzinnen was. Ik was van plan om de eerste helft van de vijftig kilometer wandeling op mijn reserves te doen, dus moest ik me werkelijk inhouden niets te eten.
De eerste kilometers gingen bijna vanzelf, het voelde alsof ik zweefde zo licht als de rugzak was. Het vergde een paar kilometer om uit de stad te komen waarna een zandpad het overnam. Dit pad ging alleen maar rechtdoor al was het gebied heuvelachtig. Het landschap was onzweeds met aardappelakkers en mais en weilanden waar koeien, kippen, schapen en paarden graasden. Waar de rest van Zweden vooral bos was, was dit dus heel anders. Wonderlijk genoeg werd ik niet moe van het wandelen en gingen de eerste eenzame vijventwintig kilometer vanzelf. Bij een kerkje tussen de weilanden nam ik een pauze en at ik, spoelde mezelf schoon onder een kraan en voelde me plots verschrikkelijk slecht, alsof alles voor niets was. Eten deed me geen goed, dus gooide ik het blik geconserveerde kippenpaté in de prullenbak en liep verder. Na een paar kilometers begon ik de eerste voetpijn te voelen, een gezond teken dat ik leefde. Ik begon me beter te voelen en merkte dat mijn ziel zich scheidde van mijn lichaam, alsof er niets anders meer was dan een licht dat me droeg. Ik voelde me energiek en begon te zingen, ik maakte een filmpje van mezelf waarin ik uitlegde dat mijn vrienden naast me liepen, ze waren er niet echt maar liepen wel met me mee. 'Kijk, hier lopen Patrick, Gigi en Thije. Ze zijn met me mee gaan wandelen en we hebben goede gesprekken samen. Of niet Gigs? Ja ja, dit gaat super lekker. We zitten op dezelfde stappen en we vormen samen een parade.' Ik raakte geïnspireerd en kreeg het idee om ooit een leider van een muzikale parade te worden waarmee we van dorp naar dorp reisden en muziek maakten in cafeetjes voor eten en overnachting. Ik moest alleen een paar muzikale mensen mee zien te krijgen. Dit idee gaat zeker nog gestalte krijgen in de toekomst. Ik keek vooruit en zag de zonnestralen door de horizon vliegen; ik was in mijn element en wandelen was mijn passie. Mijn passievrucht. Er waren allemaal enorme sprinkhanen, en gek genoeg allemaal platgereden, aangekoekt aan het asfalt. Ik telde er zeker zes in totaal, allemaal op dezelfde manier platgewalst. Ik stampte er nog een keer op. Een auto toeterde. Ik keek er naar. Er zaten drie mensen in die me uitlachten. Ik liep door en was aan het denken aan mijn toekomst; wat als ik dit leven nou eens toewijd aan wandelen, een vrij bestaan waarin alleen de volgende stap geldt.
Ik had die middag een airbnb geboekt in Linköping en liep al strompelend met een manke poot het stadje binnen. Ik was een gelukkig man die een vierdaagse etappe had gelopen, en blèrde het uit naar een voorbijrijdende bus. 'Haaaaieeeij! Hayk ek trafik!' ik wist niet meer wat ik zei en had een staat van idiotie bereikt die ik eerder ook al eens bereikt had toen ik twee weken non-stop heb zitten schrijven in een vakantiehuisje in Hindeloopen; een vreugdevolle ziel waar de rem vanaf was. Precies waarnaar ik op zoek was.
Ik liep een Texas steakhouse binnen en bestelde twee stoer stark aan de bar. Een volle vrouw schonk de glazen vol. Ik had zo'n dorst dat ik ze binnen twee minuten achterovergeslagen had. Ik bestelde er nog één en dronk.
'Waar kom je vandaan?' vroeg de barvrouw.
'Norrköping. Ik wil nog een biertje, graag.'
Ze schonk me nog een biertje in en keek gefocust naar het glas om de schuimkraag perfect te krijgen. In Zweden krijg je een kleine schuimkraag zodat er meer bier in het glas past. Ik vertelde dat ik die dag vanaf Norrköping naar Linköping had gewandeld en vroeg waar de beste uitgaansplek was. Ze keek me geschokt aan en haalde er een collega bij. 'Ga even met hem praten.' zei ze tegen hem. Hij had een bottig gezicht en een piercing door zijn wenkbrauw. Hij kwam uit Griekenland en was verhuisd naar Zweden om een beter leven te zoeken, een globetrotter die in Linköping was beland en in het restaurant werkte. Het inspireerde me dat hij zo in zijn eentje een heel nieuw leven begon in een voor hem vreemd land, dat hij een vriendenkring om zich heen had verzameld, een baan vond, de taal had geleerd, zijn familie achter had gelaten en - voor mij inspirerend omdat ik te vrij ben opgevoed - een eigen gezin had gesticht. Er brandden kaarsjes op de bar en er plakten opgezette elandkoppen aan de muur. 'Ik heb ooit eens een berg beklommen van drieduizend meter en had geen water bij me en het was zo ontzettend heet dat ik flauw was gevallen.' zei die met een intense blik. 'Een voorbijganger had water over me heen gegoten waardoor ik wakker werd en heeft me het sap van een cactus gegeven dat als een medicijn werkte. Ik wil je alleen vertellen dat je altijd genoeg water mee moet nemen op je wandeltochten.'
'Dankjewel.' Ik had ook inderdaad ontzettende dorst. Hij schonk me een glas water in. Ik liet het vloeien.
'Heb je al gegeten?' vroeg zijn collega.
'Nee, zou ik de menukaart mogen zien?' Ik bestelde nacho's met allerlei dipsausjes. Het zag er heerlijk uit. 'Eet smakelijk.' zeiden ze. Ze lieten me een poosje met rust om te eten. Ik voelde me ontzettend goed en liet een stilte over me heenkomen, maar zoals gewoonlijk voelde ik me na het eten weer slecht.
'Is dat je huis?' vroeg de barvrouw en wees naar m'n tas.
'Nee. Dat is mijn tas.'
'Ik bedoel: is dat alles wat je hebt?'
'Nee, ik heb gewoon een kamer met spullen, maar als je bedoeld: al mijn spullen, ja, daar leef ik uit.'
'Maar heb je wel een tent bij je?'
'Nee, ik slaap in een hangmat.'
'Wauw! En waar ga je vanavond slapen?' vroeg ze.
'Airbnb, maar ik moet er nog heen.' Hierover pratende bedacht ik dat het tijd was om de bnb op te zoeken. Het was ondertussen al half tien 's avonds.
'Mijn vriendin komt zo.' zei ze, 'ze wil je graag ontmoeten.' ik hoorde haar aan de telefoon zeggen: 'Hij is heel interessant.' wat een mooi compliment was. Ik besloot te wachten op haar vriendin, een blondine met grote ogen en een typisch Scandinavisch gezicht. Ze stelde me een aantal vragen en we maakten plezier met zijn vieren, de twee collega's en hun vriendin. Het was alsof we met z'n vieren aan het borrelen waren na een geslaagde squashtraining. 'Wij moeten helaas sluiten.' zei ze na een half uur. We liepen samen naar buiten en ze sloot het restaurant af. 'Tot morgen.' grapte ik.
Niemand lachte. 'Ja!' riep ze enthousiast, 'kom morgen weer!'
'Ik weet het nog niet wat morgen gaat brengen.'
'Ja, pareidolia.' zei ik.
'Wat is dat?'
'Een verschijnsel. Dat mensen gezichten vinden in wolken, auto's, schuim van een kopje koffie en bijvoorbeeld de velg van een wiel. Dan heb ik het niet over hallucineren, maar over de vormen van levenloze dingen die iets maken wat het brein graag ziet. Maar ik moet nu echt naar mijn airbnb.' Ik kon nu niet gaan ouwehoeren.
'Leuk je ontmoet te hebben, Fred.'
'Vond ik ook.'
Om elf uur kwam ik aan bij de airbnb. Het was een kamertje bij iemand in zijn appartement, een grote man met een bril en een buikje, hij keek een beetje geïrriteerd zielloos, alsof iets hem uitgeput had. Waarschijnlijk was dat het tijdstip van mijn arriveren. Ik bood mijn excuses aan. Er stond een enorme tv waarop het nieuws uitgezonden werd, alsof ik in een doordeweekse dag van het leven van een Zweed in een kamertje op twee hoog was beland. Hij liet me mijn kamer zien en wees de weg naar de badkamer. Hij ging zelf op de bank liggen, voor de tv en zei: 'Als je iets nodig hebt, ik ben hier.'
'Oh! Ik heb iets nodig!'
'Wat is het?'
'Ik wil zo nog eventjes de stad in.'
'Wat wil je zien?' Hij trok zijn wenkbrauw op.
'Ik wil zien wat er in de stad te doen is.'
'Ah, ja, jij bent nog jong.' lachte hij, 'ik ben al oud dus ik ga zo naar bed. Wacht even.' hij liep naar de deur toe en legde de huissleutel onder de mat. 'Je gaat het vast laat maken.'
'Weet ik niet.'
'Ben je dan niet moe?'
'Ik ben een machine.'
Ik liep het stadje in op m'n slippers en kwam op een druk uitgaansplein waar de stoer starks vloeiden als uitbundige Vikingen die de stad hadden veroverd. Ik wist maar moeilijk onder de mensen te komen. Ik liep langs een paar tafels en probeerde oogcontact te maken maar mensen zaten zo diep in hun conversaties dat ze zich afgesloten hadden van de rest. Ik dronk mijn bier leeg en liep naar een volgend café waar weelderig gedronken werd met grote groepen aan lange biertafels. Ze waren aan het armpjedrukken. Er werd aangemoedigd en gejuicht voor beide spelers. Armpjedrukken wordt veel gedaan in Zweden, het is daar zelfs een erkende sport met toernooien en kampioenschappen; het is een culturele traditie en de wereldkampioen armpjedrukken komt, niet gek, ook uit Zweden. Het ging gelijk op, de twee atleten hielden elkaar in balans, de armen gingen naar links, en toen vocht de ander terug en wiegden ze naar rechts. Hun gezichten vertrokken van verzuring. Er werd veel gegeven. Bam! Met een klap werd de hand van de dunnere jongen tegen de tafel geslagen. Ik stond buiten de afrastering van het terras en juichte voor de winnaar. Hij had tunneloorbellen waardoor je door het oor heen kon kijken; als het nodig is zou je er zelfs doorheen kunnen plassen; droeg een muts, blonde haren en een lang t-shirt dat over zijn bovenbenen wapperde. Hij zag me en wenkte me bij hen te komen. Ik pakte deze kans en kwam er bij zitten. De jongen tegenover me bood me een stoer stark aan en kwam terug met een ronde voor iedereen, een stuk of tien halve liters. 'Skål!' riepen we en tikten onze biertjes tegen elkaar. Ik raakte in gesprek met een enorme flapdrol die weg liep toen ik zei dat ik hovenier van beroep was; hij was namelijk advocaat met z'n witte bloesje en z'n linnen pantalon. Zulke figuren hebben ooit geleerd dat materialen belangrijker zijn dan de ontwikkeling van een ziel en zullen voor eeuwig vast zitten in een strijd om meer geld te verdienen dan de buurman. Hun geestelijke groei zal beperkt blijven. Ik vond het jammer dat hij weg liep want ik had hem de essentie van het leven flink duidelijk gemaakt.
De winnaar van het potje armpjedrukken heette Daniël, hij was de jongen met de oorbellen. Hij was loodgieter. Dus waarom die drol van net überhaupt aan deze 'laag geklasseerde' tafel zat wist ik niet.
'Armpjedrukken?' vroeg ik aan Daniël
Hij twijfelde maar nam de uitdaging aan. Ik won, maar hij had net al een potje gedaan dus het was niet helemaal eerlijk. Uiteindelijk was er verzoening.
Ik had genoeglijk in mijn bed kunnen liggen, maar op de vraag of ik mee ging naar een dansclub kon ik ook weer geen nee zeggen. Met een groep van vijf liepen we een paar straten verder en gingen in de rij staan, gingen naar binnen, dansten en praatten. Ik werd opgenomen in de groep vrienden, we maakten foto's waarop iedereen een devil horns gebaar maakte en dansten tot de lichten aan gingen. Buiten raakte ik in gesprek met een metal head in een Guns 'n Roses t-shirt: 'Ik ben vorige week bij de Raggare geweest, ze hadden gewoon een snelweg geblokkeerd voor een drag race en de we moesten vluchten toen de politie kwam. Al die ouwe Amerikanen zijn nog behoorlijk snel, zijn allemaal automaten met honderdveertig pk. We hadden de wouten afgeschud toen we deden of we de afslag namen en op het laatste moment het stuur naar links trokken.' Hij vertelde vol passie hoeveel rook er uit die auto's kwamen. We bestelden kebab. 'Ieder jaar worden deze festivallen georganiseerd. Sowieso is Zweden een land van de Raggare, mensen van over de heel Europa rijden hun auto naar Zweden en komen feesten in de optocht.' In ieder dorpje heb je 's zomers in Zweden Amerikaanse oldtimer parades, wat ze de Raggare noemden en dat zijn me toch drukke feesten met zuipende jongeren en harde rockmuziek. Ik had zo'n feest meegemaakt met Jimbo, die deze zomer naar Zweden was gereden met zijn Oldsmobile - en daar kwamen duizenden mensen met hun Amerikanen op af. Het hele dorp was beschaduwd onder een wolk van zwarte rook.
Daniël liep in de zon met me mee naar m'n airbnb en we spraken af dat ik mee zou gaan naar een festival in het zuiden van Zweden, dat over een paar dagen begon. Nu had ik een reden om in Linköping te blijven!
'Klop klop.' er werd op de deur van m'n kamer geklopt. 'Tijd om te vertrekken.' zei de man.
Met een enorme kater en een droge mond lag ik op het matras en staarde de kamer in. Er stond een wasmachine, een droogrek, een wasbak en de ramen waren open. Ik legde m'n ellebogen onder m'n schouders en kwam overeind, waarna het bloed naar m'n hoofd stroomde. 'Bonke bonke bonk!' een stekende pijn schoot door m'n hersens. In de wasbak viel mijn hoofd tegen de spiegel, ik deed iets dat leek op drinken, maar het water kwam uiteindelijk toch in m'n mond. Slurp slurp slurp, met m'n bek onder de kraan, slobberend slurpend slaap. Ik ga nog heel eventjes liggen. Nee, dat ga je niet. Ik bleef staan. Kleren. Ik trok m'n kleren aan en liep naar de woonkamer, waar niemand was. 'Hej!' riep ik
'Hej!' kwam vanuit de keuken.
Ik waggelde er heen. 'Zou ik nog twee nachten kunnen blijven?'
'Nee, want er komt zo een nieuwe gast.'
'Een nieuwe gast?'
'Ja, dus je moet zo vertrekken.'
Verdomme, dacht ik. Ik liep naar m'n kamer, pakte m'n tas en kwam in m'n wandeloutfit weer bij de man staan. Ik gaf hem de sleutel en we wensten elkaar een fijn leven. 'Hej, leef fijn.'
'Jij ook, jou leven, leef ze.'
Via de trap kwam ik in de zonnige straat met de gele rijtjeshuizen. Ik kon nauwelijks lopen, iedere stap was een stap, en bij iedere stap kreeg mijn hoofd een tik. Over het Zebrapad en naar daar waar de anderen gingen. Toen kwam ik bij een pleintje waar markt was. Vitamines, dacht ik, heb nodig. Met die knallende koppijn die begon te drukken op het moment dat ik vooruit bewoog. Ik kocht een paar sinaasappels en at ze op een bankje naast een fonteintje. Er zat een verschrikkelijk vette obees naast me die vooral om zich heen keek met een zwoel lachje. Met zijn rug tegen de schaduw keek keek hij naar voorbijgangers en fietsers en groette af en toe eens iemand. Precies zo iemand die je wilt nastreven in het leven. Zo zag ik mezelf, zonder zo'n grote buik, later op mijn zestigste wel zitten, vriendelijk naar mensen, genieten. Ik keek hem aan. Hij gaf me een knipoog. 'Fijne dag.' zei die. Maar ik stond nog niet op. Ik at m'n sinaasappel en keek. Er reden auto's voorbij en er liepen veel mensen langs deze drukke straat. Ik zwaaide naar auto's net als de man. Het leven was te makkelijk, er moest iets gebeuren. Wat zat ik ook te doen? Met een vreemde vetklep naar auto's zitten zwaaien? Ik moest onderdak zien te vinden zodat ik met die jongens naar dat feest kon over twee dagen.
Ik stond op, ik begon te lopen. Ik liep zomaar een kant op. Het meisje van de bar had me verteld dat er in Vikingstad een goeie tattoozaak zat. Dus misschien was het een idee om daarheen te lopen zodat ik een beer kon laten zetten. In een parkje probeerde ik even iets. Ik hing m'n hangmat tussen twee bomen en ging er in liggen om eens twee uurtjes slaap te pikken.
'Tring tring.' ik werd wakker gebeld, het was Daniël. 'Yo.'
'Hey man, onze auto zit helaas vol dus je kunt niet met ons meerijden. Je kunt nog wel zelf komen met de bus of zo, dan zien we elkaar daar gewoon.'
'Balen man, ik ga er over nadenken.'
'Nog een beetje kunnen slapen?'
'Poah, je kunt me als een dweil gebruiken.'
'Hahaha. Ik hoor het wel, veel sterkte met je kater.'
'Dankjewel.' Ik bleef nog even liggen in de hangmat. Er was een mevrouw in een woningsflat op haar balkon kleren ophangen en dingen aan het uitwringen. Haar kinderen kwamen er ook bij staan. Ze keken steeds naar me. En toen ze voor de vierde keer keken, stak ik m'n duim op. Ze lachten. 'Wil je iets drinken?'
'Nee dankje.'
'Echt niet? Je kunt wel wat gebruiken, dachten we.' Oh, zag ik er zo slecht uit? Misschien dachten ze wel dat ik een zwerver was, of een landloper. Ik wilde m'n spullen weer bij elkaar te rapen maar viel in slaap voordat ik eraan begon. Ik werd wakker door een paar spetters water op m'n gezicht. Het was kwart voor zes en ik had een slaapplek nodig, het liefst buiten de stad. Dus ging ik slenterend op zoek; langs een drukke weg liep ik de buitenwijken uit. Er liepen twee mensen voor me in het zelfde tempo, ze droegen een mandje met bloemen en hadden hoofddoekjes op. Ik liep een paar kilometer achter hen aan, totdat het landschap naar bos veranderde en mijn grote vriend de oost-scandinavische tijgertyfusmug weer opdook. Ik kon slaan wat ik wilde, maar tegen dit ensemble was niet in te beuken. 'Mieeuwhgghaieiwieiweiw.' klonk het aan beiden oren. Er schoot er één in mijn oor. Ik sloeg tegen mijn oor. Mijn oor deed pijn. Ik sloeg muggen die veranderden in bloedvlekken. Het was een orkest van piepend gezoem in een loofbos. Er was gelukkig een einde zichtbaar met wat licht dat tussen de bomen scheen en een paar huizen. Ik liep een soort kinderboerderij op met geiten en schapen en mensen. Ik aaide iemand over zijn bol. 'Hey, hou eens op!' zei die.
'Oh sorry, ik dacht dat je ook een grazer was.'
'Nee ben je wel goed bij je paasei?' zei die met een rood hoofd van woede.
'Oeps.' ik liep naar iemand anders, een roodharige jongen en een Spaans meisje. De roodharige jongen was een Nederlander en het Spaanse meisje was Spaans. Ze zaten te picknicken met een zak patat en er was een lieve hond die naast hen lag te slapen. Ze waren allebei naar Zweden gekomen voor hun studie, en de jongen had een baan gevonden bij Morakniv, het houtsnijmessen bedrijf van de wereld. Ik mocht mee eten. 'Wil je ook een biertje?' vroeg hij.
'Een biertje?' als een geschenk van god zette hij een biertje voor m'n neus neer. Ik dronk er van, het smaakte zo verfrissend en - zacht als een lepel honing, maar bitterfris met een lichte prikkeling, danste het door m'n mond, door m'n keel en uiteindelijk als een koel ijsklontje in m'n maag. Ik nam nog een slok, en nog één, en nog één. 'Zeg jongens, weten jullie een plek waar ik vannacht kan slapen? Ik heb een enorme kater en wandel nu al een poos zonder uitzicht.' Ik liet hen het denkwerk doen.
Ze keken nadenkend. 'Ja we hebben wel een huisje bij mensen thuis, wil je dat?'
'Graag!'
Ze belden de mensen maar ze namen niet op. 'Helaas.'
'Er zijn hier ontzettend veel vindskydds in Zweden, heb je die al eens geprobeerd?' zei de jongen. 'Dat zijn natuurhutjes, vertaald is dat een windscherm. Ze zitten vaak langs wandelpaden in bossen of op open plekken.' Hij opende een app en liet me de locaties zien van een paar vindskydds. 'Deze app heeft alle hutjes van heel Zweden. Oh kijk! Deze is redelijk dichtbij.' Hij wees naar een vindskydd noordelijk van Mjölby. 'We kunnen je daar wel heen brengen.' zei hij.
'Oké!'
We pakten onze spullen en stopten het in de auto, Hij en het Spaanse meisje voorin, ik achter. 'Weet je.' zei hij, 'Soms moet je eens iets goeds doen voor een ander, zonder er iets voor terug te verwachten.' hij praatte met een aanstekelijk enthousiasme in zijn stem. We reden over de snelweg, de enige weg die Göteborg met Stockholm verbond. Het voelde gek om het landschap zo snel aan me voorbij te zien gaan, alsof er een nieuwe optie vrijgespeeld was in het spel dat ik speelde; de auto. Voorin zette het meisje de opening van de Olympische spelen aan op haar telefoon. Het 'normale' leven dat zij leefden, met televisies en auto's en studies inspireerde me eens te meer. Iedereen had een verhaal; een Spaans meisje en een Nederlandse jongen die in elkaars leven zijn gekomen tijdens een studie pathologie voor Zweedse crimeseries. Ze hebben hun families achter moeten laten om hun eigen pad te volgen, de keuzes die zij hebben gemaakt, die hun hebben doen veranderen tot wie ze zijn geworden. Ze zijn goed bevriend geraakt en hadden een kamer op een studentenboerderij net buiten de stad. Wat me nog meer inspireerde was hoe opgetogen die jongen praatte over zo'n beetje alle onderwerpen. Hij had ook zo'n vriendelijk gezicht met een scheve mond en een boblijn in zijn haren. Hij draaide vaak zijn gezicht naar achteren maar reed desondanks goed.
We kwamen aan op een parkeerplaatsje in het dennenbos, het was een hobbelig pad waardoor we de auto weg moesten zetten en lopend verder gingen. Het schemerde. Maar hij bleef maar praten. 'Wat als we nou eens niet de Olympische spelen gaan kijken? We brengen deze jongen naar zijn plek. Waar moeten we heen? Navigatie, naar rechts. Ja.' We liepen naar rechts en daar op een open plekje, was de vindskydd. Ik bedankte hen hartelijk en zei: 'Jullie zijn goede mensen.'
'Dankjewel Fred, we doen ons best.' Ze groetten me en liepen het schemer in, terug naar hun veilige leventje. Ik was weer alleen, wat ik wel fijn vond. Er was een stenen vuurkorf met een barbecue gaas erover, waar je gemakkelijk een vuurtje kon maken en lekker vanuit de vindskydd kon gaan zitten kijken. Er lagen bovendien vijf halve liters bier in het hutje, alsof god me een bonus had geschonken; een geluksmomentje. Ik maakte een vuur, zette een pannetje noodlessoep te koken, deed mijn muziek aan en ging vanuit de vindskydd liggen kijken naar de sterren met een biertje in m'n linker. Dat het universum mij hier heeft gebracht deze dag.
Ik liep Mjölby in, kwam vanuit een zonnig dennenbos, een pad dat heuvelachtig was met veel boomwortels die als trappetje dienden, over een parkeerplaats langs een reusachtige Lidl op een industrieterrein. Ik kocht een appel en een paar broodjes en at in de schaduw van een tankstation op een plastic stoeltje met m'n ruggen het raam. M'n waterfles viel op de grond en nog voordat ik in actie kon komen werd er op het glas getikt en gewezen naar het plastic flesje dat daar lag. Ik voelde een frons op m'n gezicht. Die Zweden moeten niet zo zitten te zweten.
Mjölby was een industrieel proletarisch stadje waar de belangrijkste slagader van Zweden doorheen liep. Er passeerde veel vrachtverkeer. Dus liep ik naar de fastfoodstrip en probeerde een lift te scoren naar Göteborg. Ik liep een paar keer heen en weer en stond naast de rotonde met m'n duim opgestoken. Ik stond er een half uur maar niemand wilde happen. Bovendien maakte de walm die om de mac Donalds heen hing me hongerig. Ik liep de KFC in en bestelde een emmer kip, waarna ik mezelf verzorgde op het toilet. Het was een modern gebouw met veel rechte lijnen wat een dergelijke orde schepte. Niet dat het de mensen wat uitmaakte, die vraten hun hamburgers wel met of zonder rechte lijnen. Maar misschien dat het toch invloed had op de klantenpopulatie, je weet het niet. Ah, ja, ik was één van hen. Tegenover me zat een Zweeds gezinnetje zonder overgewicht. Ik keek naar mijn eigen buik, die duidelijk gekrompen was sinds ik in Zweden was.
Na lang rondvragen vond ik een lift, maar dan wel naar het station. Het was een getinte man met obesitas die me meenam en ik weet niet meer waar de gesprekken over gingen. In een pressbyrån op het station aan de kassa stond een kleine latino man met een lange grijze paardenstaart en een snor. Hij had een vierkant zonnebrilletje op en lachte de hele tijd. Dit was echt de leukste man die ik in Zweden tegen ben gekomen. Ik kwam binnen en hij keek me direct aan alsof we herenigd waren na een lange tijd.
'Hoe laat gaat de trein naar Göteborg?' vroeg ik.
'Over drie uur gaat er een trein, broeder.'
Ik bekeek hem een paar seconden goed 'Ken je Frank Zappa?'
'Ja van naam wel, is hij niet een schrijver?'
'Nee, een zanger.' Nadat ik een foto van hem liet zien begon die te lachen en keek me enthousiast aan. 'Dat ben ik!'
'Ja dat bedoel ik. Hey Frank, mag ik een kaartje naar Göteborg?'
'Ja zeker!' hij sloeg de ticket aan en ik betaalde.
'Hier is je kaartje.' en hij gaf me een bonnetje.
'Had ik al betaald?' vroeg ik.
'Ja.' zei die. Hij knipoogte. 'Ik bedoel nee! Nee je hebt nog niet betaald.' en schoot in de lach en maakte met gebaren dat hij herhaaldelijk een pasje voor de sensor hield. 'Ik zou je de heletijd opnieuw kunnen laten betalen. Heb je al betaald? Nee. Nee. Nee.' en hij haalde het denkbeeldige pasje weer voor de pinautomaat. We lachten.
'Waar kom je vandaan?' vroeg ik.
'Peru.'
'Oh lekker warm weer, lekker eten.'
'Ja ceviche! Ken je dat?' zonder te wachten op m'n antwoord praatte hij verder. 'Dat is een gerecht met rauwe vis, gegaard in limoensap. Dan sprankelen ze er chilipoeder overheen en uitjes en koriander. Als je dat eet, dan val je flauw van genot.'
'Dat geloof ik niet.'
'Echt waar! Het gebeurd in Peru wel vaker dat mensen flauwvallen, maar dat is meestal door de alcohol. Hahahahaha' hij begon te schaterlachen. 'In Peru is iedereen dronken!' Er stonden ondertussen een paar mensen achter me te wachten. Het boeide me niet.
'Wat is je naam?'
'Pablo. Jij?'
'Don Pablo! Ik ben Fred.'
'Don Pablo heeft het druk. Wacht even, wil je even iets uit de winkel zoeken en zo terug komen?'
Ik keek in een tijdschrift. Pressbyrån, dacht ik, als ik in Zweden had gewoond zou ik hier wel willen werken.
Pablo was weer beschikbaar en we praatten nog een half uur door zonder dat er iemand binnenkwam. Ik moest toch nog een paar uur wachten op de trein en hij had geen ruk te doen. 'Hey Pablo, waarom ben je naar Zweden verhuisd?'
'Omdat ik Pablo ben!'
Ik keek om me heen. Er speelde een muziekje. 'Heb jij het beheer over de muziek?'
'Nee? Hoezo? Dit is de radio.'
'Ik wil Frank Zappa horen.'
Hij begon te dansen op de muziek. Ja, goed idee. Ik danste mee. We dansten en het was goed, dus dat was prima. Ik leefde toch al langere tijd alleen maar van mijn ziel. 'Hey Pablo, ik ga even een rondje lopen door de stad. Heb je nog aanraders?'
'Ja, broeder, ga naar het plein, daar heb je veel caféetjes!'
'Bedankt voor de gezelligheid.'
'Jij bedankt, mijn vriend.'
'Nog een fijn leven gewenst.'
We zwaaiden enthousiast naar elkaar. Ik liep door de stad, bestelde een biertje op het terras en wachtte tot de trein aan zou komen. Ik voelde me niet zo lekker. Dus dronk ik wat water en ging in het gras liggen met m'n hoofd op m'n tas en keek naar de blauwe hemel.
Toen de klok zeven sloeg moest ik een paar keer goed kijken, de trein ging al. Kut, de trein kwam nu het station binnen. Ik haastte me naar het perron en kon op tijd instappen. Ik ging in het restaurant zitten en kwam een man tegen. Hij zei: 'Die stoel is nog vrij, gewoon hier blijven zitten...' Hij dronk een biertje en bood mij er ook één aan. Ik nam hem uiteraard met genoegen aan en ging aan het tafeltje naast hem zitten. Hij keek naar z'n schoenen met z'n hoofd tussen z'n armen die op het tafeltje leunden. Hij draaide wat met z'n biertje, keek naar boven en toen uit het raam, terwijl het groene landschap in hoog tempo voorbij schoot. Hij had een koffer naast zich staan waarvan hij het handvat vasthield. Hij zei, starend uit het raam: 'Wat gaat dat toch makkelijk met zo'n trein. Je stapt er in en je stapt er uit en je bent heel ergens anders.'
'Treinen zijn handige dingen.' zei ik.
'Jij ziet er niet uit alsof je veel met de trein reist.' zei hij, nog steeds starend uit het raam.
'Ik ben een treinenfanaat, ik juich treinen toe. Soms ga ik op het perron staan en zwaai naar de machinist wanneer de trein arriveert. Dan juich ik zo'n trein toe. Ik probeer in mijn eentje een zwaairevolutie aan te jagen.'
Hij keek me aan. 'Maar dat heeft toch niets te maken met het toejuichen van treinen?'
'Ik ben geen politicus, dus wat kan ik er aan veranderen?'
Hij keek weer naar buiten. 'Ja wees blij, je wilt niet zo'n oplichter zijn.'
'Als ik politicus was had ik een regel gemaakt dat het OV gratis was, maar dat iedereen dan wel naar de machinist moet zwaaien.'
'Hahaha. Dan zie ik ons al staan. En wat als iemand niet zwaait?'
'Dan mag hij de trein niet in.'
'Dat is lullig.' zei die
'Wat is lullig? Voor de machinist zul je bedoelen.'
'Ja, dat bedoel ik ook.' Hij zette zijn biertje neer. 'Wil je wat eten?'
'Lekker.'
Hij pakte een paar broodjes uit z'n tas en gaf me een sandwich met tonijnsalade. Hij nam er zelf ook één en staarde weer door het raam. We reden tussen de grassige heuvels. 'Hey, ik wil altijd nog een keer wandelen, zoals jij met een rugzak. Een lange afstand.'
'Hoe weet je dat ik wandel?'
'Je schoenen.' zei die gedecideerd zonder om te kijken.
'Oh. Waar wil je heen wandelen?'
'Ik wil de oversteek van Panama naar Colombia maken, door de Darién gap.'
'Dat lijkt me geen goed plan.'
'Klopt, het is de gevaarlijkste plek op aarde. Meerdere wandelaars zijn daar verdwenen en nooit terug gekomen.'
'Ik ga met je mee.'
'Nee.'
'Haha.' Ik dronk van z'n bier en at z'n sandwich en hij leek niet onder de indruk van mij. Maar toen, na een half uur ouwehoeren, vroeg hij me mee naar een feest: 'Ik heb zometeen een feest bij vrienden. Ze wonen aan een groot meer met zulk schoon water dat je het zo kunt drinken. Je kunt de bodem zien vanaf google maps, zo helder is het water. En als je daar in zwemt, dan wordt je lichaam gereinigd. We zijn met een groepje van zes. Ga je mee?'
Het leek te mooi om te geloven. Dus ik ging niet mee. Ik sloeg het aanbod af. Hier heb ik tot vandaag nog spijt van. Bij de overstap liepen we allebei dezelfde kant op. 'Weet je zeker dat je niet mee wilt?'
'Ik heb al geboekt in Göteborg.'
'Oké' zei hij nonchalant en stapte een taxi in.
Fouten maak je soms, maar voor het verhaal was het beter geweest als ik mee was gegaan en feest had gevierd. Ik voelde me gelijk depressiever worden. Ik stapte de volgende trein in en keek naar buiten tot de schemering over het landschap trok. Langs Jönköping, waar vanaf het station een enorm meer zo uitgestrekt als een zee onder een sterrenhemel het beeld vormde. De lichtjes van het stadje aan de linkerkant van de trein; bussen en verkeer, verlichte terrassen. Het gaf me een sprankje levensvreugde om Göteborg te ontdekken.
Op het station Göteborg kocht ik een frietje en ging met m'n rug tegen een kathedrale zitten. Er waren veel jongeren die in groepjes de plaza vulden met leven. Het was donker maar de lantaarns, trams en cafeetjes verlichtten de stad. Ik was in het moment en heb Zweden leren kennen nu ik voor de tweede keer in Göteborg was. Het was twaalf uur 's nachts, maar de reis had me veel energie gekost, dus ging ik naar het receptieloze hotel en viel in slaap op het bed.
De volgende ochtend belde Robbert me op. Hij was een vriend die een aantal jaar geleden spontaan naar Zweden was verhuisd nadat zijn moeder was overleden. Zijn vriendin was deze maand bevallen van een dochtertje, Nova. Vroeger, toen hij nog in Nederland woonde speelden we altijd hardrock in zijn garage met Ferdinand en Aaron en rookten we wiet en dronken bier uit de fles.
'Hey Robbert!'
'Hey kerel! Haha Hoe ist?'
'Goed, bij jou?'
'Ja lekker man. Waar ben je ondertussen?'
'Gisteren in Göteborg aangekomen.'
'Göteborg al? Dan ben je mooi dichtbij. Heb je zin om langs te komen?'
'Zeker, ik kan vandaag al wel naar je toe komen!'
'Ja joh? Lache man, dan hoor ik van je.'
Ja ja, ik at een pannenkoek in een cafeetje en zorgde ervoor dat ik de volgende trein naar Varberg nam. Het was een treintje die al in de richting van het zuiden ging, langs de westkust. De rotsen die de golfjes van een rustige oceaan braken en op het strand rolden. Ze gaven me het gevoel dat ik daadwerkelijk op vakantie was. Bier was een belangrijke houvast deze vakantie, een vriend die er altijd was wanneer het nodig was, altijd met me mee dacht. Op station Varberg, in een chinees dronk ik er van; wanneer ik nerveus was voor onze reünie hielp het me te kalmeren, maar het was ook een schuilkelder om me in te verstoppen. Het was mijn benzine na een wandeling en verlichtte m'n ziel.
Robbert stond te wachten in zijn Volvo en stapte uit. Ik bekeek hem. Hij droeg geen shirt en liep op slippers, had een afgetraind gedrongen postuur en een sikje en pilotenzonnebril, was glad geschoren op de kop. Zijn enthousiaste groet hielp me om de zenuwen van me af te schudden. 'Robbert! Wat verdomme goed je te zien jonge.'
'Freddie kerel!' we sloegen elkaar in de armen. 'Ouwe gek.'
'Kale sloopkogel.'
'Dikke mafkees.'
'Rövslicker.'
'Hahahaha.' Hij lachte uitbundig. 'Du Jävla rövslicker.'
We reden eerst naar de supermarkt voordat we naar z'n huis gingen en kochten worst, bier, chips, nog meer vlees en kolen. 'We gaan vanavond barbecueën.' zei die en maakte een praatje in het Zweeds met de kassière die hij kende. 'Ha en trevlig dag.' glimlachte ze naar ons.
'Ey maar gefeliciteerd met je kleine.' We reden in de auto.
'Ja dankjewel mien jonge.' We reden door de beboste heuvels en hoorden knallen.
'Wat is dat?'
'Ze zijn hier in de buurt een berg aan het opblazen.'
'Waarom? Mijnwerk?'
Ik had alles verwacht behalve dit. 'Nee, die berg willen ze weg hebben zodat ze in de avond nog zonlicht hebben in het dorp.'
Anyway, we kwamen aan bij Robbert en ik groette zijn vriendin. Ze had rode haren en blauwe ogen, redelijk vol en droeg een katoenen jurkje tot haar knieën. Ze hield de baby in haar handen en liet mij kennis met haar maken. Het was een klein dingetje met een roze mutsje op, ingepakt in een roze pluche dekentje. Er liepen kippen rond en we zaten op de veranda in de tuin. Hun huis was gebouwd op een gladde rots omringd door grassen en bomen en een heleboel bosbessen en frambozen. We pisten in de tuin. Ze hadden een tuinhuisje die ze tot gastenhuisje hadden omgebouwd. Er stond een badkuip die was ingebouwd in een houten constructie met een schoorsteen, gevuld met water. Robbert stak de barbecue vast aan met blokken hout terwijl we het bos in gingen om cantharellen te zoeken. Robbert had er oog voor. Alsof hij ze kon ruiken dook hij tussen de bomen en kwam terug met een hand vol amberkleurige paddenstoeltjes. Ik vond niets. Ik was niet zo'n goede survivalaar. maar Robbert was gemaakt om als oermens in de bossen te overleven. En zeker met zijn postuur die hij had ontwikkeld op zijn werk als sloper. Hij vond ook altijd de dikste insecten, engerlingen, boktoren en andere dingen. Laatst had hij één van zijn kippen geslacht. De kop er afgehakt met een bijl. Hij was een beer van een vent met het instinct van Bear Grills.
Met een mand vol cantharellen liepen we terug naar huis en bereidden de paddenstoeltjes in een pan op de barbecue met alleen zout en boter. 'Zoals je het hoort te eten.'
'Skål!'
Vlees. We legden het vlees op de barbecue en ik rookte sigaretten. Robbert was kettingroker maar is na een paddenstoelentrip pertinent gestopt en heeft nooit meer een sigaret aangeraakt. Ikzelf stopte na deze vakantie weer. Het was heerlijk in het zonnetje, het zorgeloze leven. Robbert liep naar binnen en kwam terug met een cactus en twee biertjes. Het was een hallucinogene cactus van een vriendin. Robbert liep altijd naar binnen en kwam dan terug met de meest verrassende dingen. Daar stond hij ineens met een didgeridoo. 'Brrrrrrwwwwwwwwbrrroaaaaaaaarw.' met de meest bijzondere, vaak houten spullen kwam hij terug. Als een beer begon hij op zijn didgeridoo te spelen, en had geleerd om circulair te ademen. 'Hoe doe je dat?'
Hij ging zitten. 'Dan neem je een buffer met lucht dat je in je mond houdt en blaas met je wangen uit, terwijl je via je neus inademt. Zo kun je door blijven spelen.' Hij deed het voor, z'n wangen bolden op als een kikker en kwaakten de didgeridoo in. 'Kwaak.' Stel je voor dat kikkers een binnensmondse didgeridoos hebben, een resonantie die oorverdovend zou zijn, didgeridikkers.
Robbert vond de worstjes 'Donders lekker.' Ze waren goed gekruid met genoeg zout.
'Maar die cactus. Heb je daar al van gegeten?'
'Ja, daar ga je goed raar van doen laat ik maar zeggen.'
'Is dat niet hartstikke giftig?'
'Ja giftige rommel.' grapte hij. 'Nee joh, dit is een wereldmedicijn. De oude Maya's gebruikten het al in rituelen en spirituele vooruitgang. Dit is puur natuur, dit plantje wordt al gebruikt, zo lang, zo oud, zo wauw!' Hij bekeek het aandachtig. 'Dit mooie plantje heeft er voor gezorgd dat ik nu hier woon. Het schudt je wakker.'
'Ja!'
'Na die trip bedacht ik me ineens: wat doe ik hier nog in dit land? Ik zat in de afterkick en was nog aan het nagenieten van de reis, en dan komen de inzichten. Mijn moeder was pas overleden en ik had geen vriendin, geen eigen huis. Ik had niks meer. Het voelde als nu of nooit, ik had niets te verliezen. Mijn vader was er nog wel en het deed ook pijn om hem achter me te laten. Maar uiteindelijk was het de beste beslissing van mijn leven. Ik woon hier nu zeven jaar gelukkig, heb een vriendinnetje, een dochtertje, woon op een prachtige plek, ik ben nog nooit zo gelukkig geweest.' Hij zette de cactus op de tafel en keek er in stilte naar.
'Je bent een rijk man, Robbert. Je hebt alles wat een mens nodig heeft. Dit is echte rijkdom. Mensen die zeggen dat ze rijk zijn hebben vaak geen flauw benul. Ik hoor zo vaak mensen praten over hun geld. Ze kunnen de tering krijgen, jij hebt pas echt geld, maar dan in natura.'
'Dankjewel.' De kippen scharrelden rond in het grastuintje, hij was bezig met het bouwen van een hok voor de hennen op een zacht stukje rots. We zaten op de veranda en Eveline kwam naar buiten met een kom chips en drie nieuwe stoer stark. Robbert had z'n eigen bar gebouwd tegenover de badkuip, waar ik in ging. Foto: Robbert kwam aan met een gaargebraden kippenpoot. Met een halve liter in m'n linker en een kippenpoot in de ander genoot ik van een verfrissend bad met een zomerzon die op half zeven stond.
In het schemer stak Robbert de brandton aan en zette twee ligstoelen in het gras. Hun dochtertje lieten ze in een kleedje buiten liggen zodat ze kon wennen aan de koude temperaturen. Het was een traditie in Zweden om baby's buiten te laten in de kou. Ze zijn van mening dat kinderen daar sterk van worden.
'Biertje?'
We hadden goede gesprekken terwijl we naar de sterren keken. 'Hoe hebben jij en Eveline elkaar ontmoet?'
Hij dronk van z'n bier. 'Aan het strand in het midden van de zomer. We liepen elkaar tegemoet, en we zeiden 'hoi!' en toen liep ik door, maar keek wel om, en zag ik dat zij ook omkeek. Ze droeg een geel wapperend jurkje en haar rode haren vlogen op in de wind. Ik wist direct dat het goed zat.'
'Wauw, hoe lang was dat geleden?'
'Drie jaar mien jonge.' We keken naar het vuur en en praatten. We lachten en praatten over de mooie en vernufte dingen des levens. Als we een onderwerp hadden dan lulden we er over, als we niks zeiden, genoten we. We verlamden onszelf. De vuurkorf brandde als een opgevoerde bakstenen bakoven. We wierpen onze blikjes er in, het aluminium smolt. 'Iedere paddo trip brengt weer wat nieuws, ze zijn altijd weer anders.'
'Ja precies. die dingen zijn magisch op hun manier.'
'Ze geven je inzichten. Alsof je door de bliksem getroffen wordt, maar dan echt. Zo'n energieboost.' Robbert zijn gezicht lichtte op door het vuur. 'Ik neem het ook voor werk. Als ik het niet heb genomen dan is het gewoon een normale dag, altijd met tegenzin. Maar wanneer ik zo'n paddenstoel opvreet dan heb ik de energie en werk ik goed en ben ik gewoon een stuk positiver.'
'Ja, dat snap ik wel. Ik heb ook wel eens gemicrodosed.'
'Mooi toch!'
'Ja kerel.'
'Skål.'
De avond ging wat slapjes voort. We waren beiden wat op in de energie maar bleven toch nog zitten. We stookten het vuur nog eens op. 'We zullen wakker blijven.' brulde Robbert.
'Haha heb je zo'n paddenstoel dan?'
'Ja, kunnen we wel doen.'
'Ja?' Ik wist niet goed wat. 'Gaan we nu paddo's doen? Ik ben al best dronken.'
'Je hebt gelijk. Het is nu niet verstandig. Dat spul moet je overdag doen wanneer je de tijd hebt.'
We zopen door en... ik begon echt dronken te worden. Dus we grapten en bekeken de sterren zonder er over te praten. 'Wat zijn die dingen ver heh.'
'Het universum gast.'
'Het fucking universum!'
'Fucking fuck!!' de toon werd luider.
'Heyjoh!'
'Heyyyy!' schreeuwend
'Blaffend!' blaffend..
Wat vind je van mijn wolvenimitatie? 'Awhoooooooooh!'
'Awhooooooooh.'
'Pas op straks komt de roedel onze kant op!' Het bos zat vol dieren.
'Awhoooooooh.'
'Whooooooowh.'
Er viel een rustige stilte. 'Wat een dag.'
'Heerlijk.
Robbert piste over het vuur. Ik piste over Robbert. 'Heyjoh!' hij trok z'n voeten weg en trapte me.
'Grapje. grapje.'
'Oh.'
'Was weer als vanouds.'
'Zeker.' zei die knorrig.
Ik voelde me altijd goed met Robbert, eerst al in de metalgarage, maar nu ook weer, in een onbekend land als Zweden, dat er iemand woonde die ik kende en waar ik bij thuis kon komen.
Het huis in de ochtend zag er zonnig uit met gras en reliëf verschil in de tuin, omringd door bomen. Ik tuimelde naar de sproeier en zette m'n mond aan de tuinslang. Ik dronk zoveel water en hydrateerde mijn lichaam, dat direct afkoelde en verzuiverde, alsof m'n bloed een frisse stroming uit een bergbeekje in de Alpen werd. Eveline had thee gezet en een bakje yoghurt met bosbessen uit het bos voor ons gemaakt. 'Zullen we naar het strand vandaag?' Opperde Robbert tussen ons vieren.
We waren het allen eens, zelfs het kindje stak zijn vingertje voorzichtig op.
Dus reden we naar het strand met picknickspullen en een bal.. Robbert sprong als een zeehond het water in en dook onder, pakte m'n benen vast, kwam omhoog en liet zich als een walvis in het water vallen. Ik schreeuwde naar Denenmarken. 'Hey Denenmarken! Bouw een legobrug!' Robbert duwde me en dook weg in het ondiepe water van een meter diep. De bodem was van keien. Robbert dook onder en kwam terug met een paar keien. Dit keer kwam hij niet terug met bijzondere voorwerpen maar met gladde stenen, die hij met een zwaai over het oppervlak van het water smeet. 'Freddie, zullen we een spelletje doen?'
'Noem maar op.'
'Zak door je benen.'
Dat deed ik. Robbert klom op m'n schouders, met zijn twee benen klom hij op m'n linker en rechter schouder. 'Nu omhoog springen!' riep die, en hij sprong de lucht in en kwam in het water. 'Nu jij bij mij.'
Ik probeerde op Robbert zijn schouders te staan maar mijn voet gleed weg en Robbert was geen stabiel standbeeld waar geen beweging in te krijgen was. Dus vielen we beiden in het water. In mijn val nam ik een slok. Ik kwam boven en kokhalsde 'Bleeeeeh.' Het water smaakte als een shotje sojasaus. 'Wat?'
'Heb je wel eens een glas zeewater gedronken?'
'Nee.'
'Nou ik wel net.' Ik bedacht me hoeveel vissen hun behoeftes deden en wat voor gedierte erin resideerde. Het was licht bewolkt, de zon scheen nog wel genoeg door de cirruswolken om krachtig te zijn. Ik had wel zin in een vis en zag de vissers op een rots zitten met hun hengels. 'Hey vissers! Al wat gevangen?'
Ze staken hun vingers op. Ik kon het niet goed zien. Naast hun hadden ze een emmer staan. Ik nam aan dat daar vis in zat. 'Hey heb je nog vis over?!' Niet dat ik die vissen levend van de staart zou vreten, maar misschien Robbert wel.
We dronken cola, Eveline had aan alles gedacht, en zaten op een kleedje, maar plots begon het te waaien. Overal stoof zand op en het kwam in ons eten en in de bekers. We besloten terug te gaan.
Op de terugweg kocht ik bij een slijterij een flesje whisky voor Robbert en een fles wijn voor Eveline. Bij huis pakte ik m'n spullen en moest helaas weer door omdat Robbert familie op bezoek kreeg. We gaven elkaar een dikke knuffel en ook Eveline en de kleine en Robbert bracht me naar het station, waar hij me uitzwaaide tot de trein uit zicht verdween. Ik was bedroefd om hem achter te laten. Maar er was weer avontuur op komst, terwijl de trein volle bak verder reed.
Ik stapte uit in Halmstad en liep tien kilometer naar een baai zo breed als Amsterdam. De bomen naast de duinen liepen langzaam op ten opzichte van elkaar, alsof iemand ze schuin had afgesneden waardoor het bos een parapluvorm aannam. Zo vingen ze de zoute wind voor elkaar op. Ik liep het dichtbegroeide bosje in en hing m'n hangmat op tussen twee boompjes. Zo hing die wel. Ik ging er in liggen en de tak knapte af. Bam. Ik krabbelde overeind en hing de hangmat aan een andere tak, die ver doorboog, maar niet tot de grond kwam.
Op een grasveldje naast de bomen hadden twee Noren, een jongen en een blond meisje van midden twintig hun tent opgezet en zaten aan een picnictafeltje. Ze hadden een boel spullen die verspreid op het gras lagen. Ik kwam het bosje uit lopen, stond achter hun tent. 'Hej.' zei ik.
Ze keken om. 'Hej.'
'Waar is het strandhuis?'
Ze wezen allebei naar links.
'Dankjewel. Ik heb trouwens m'n hangmat in het bosje opgehangen, achter jullie tent.'
'Geen probleem. Wij zijn hier ook maar wild komen staan.' Er stonden een paar halve liters op de picnictafel en de overblijfselen van een rijstmaaltijd.
'Ha en smecklick måltid.' zei ik. 'Eet smakelijk.'
Ze namen nog een hap van de laatste rijstkorrels, alsof ze het voor mij deden.
'Ik ga even wat eten in 't restaurant, misschien tot zo!'
'Ha en smecklick måltid.'
'Tack.'
Buiten op het terras van het restaurant zonk de halve zon langzaam de zee in terwijl ik de gebeurtenissen van de dag opschreef in m'n notitieboekje. Binnen speelde een verdomd goeie pianist covers van Queen, Billy Joël, José Gonzales en popzangers, zingend en pianospelend. De muziek stond erg hard want ik kon het horen tot bij de hangmat. Het restaurant was volledig gevuld met mensen boven de veertig in deftige kleding. Mensen droegen chique jurkjes en blauwe pakken en bloesjes en khakibruine broeken. Ik zat er beschaamd, in mijn sportoutfit tussen en bestelde een grote friet met mayo en een salade. Buiten scheen er een grote draaiende luchtlamp de sterrenhemel in om mensen van ver te lokken, er kwam muziek uit die richting. Het was een grote luxe villa met een zwembad en een verlichte marmeren buitenbalustrade boven een restaurant. Het was zo'n imposant ventergebouw dat ik dromend bijna vergat te betalen. Het was half twaalf, ik liep er heen. En toen zag ik wat het was, een enorm partycentrum met massa's mensen die vanaf de parkeerplaats rondom de ingang groepeerden. Het waren allemaal slanke meiden in glitterjurkjes van mijn leeftijd, jongeren in nette kleding. Er sproeide een fontein in het midden van de plaats. Daar stond een jongen met een ronde buik en zwart stekelhaar en een baardje alleen naast de ingang in een t-shirt om zich heen te kijken. Hij werd mijn slachtoffer, mwuhahaha. 'Hej!'
'Hej!'
'Wat is dit voor een gekkenhuis?'
Hij lachte met z'n baard. 'Ja ik weet het ook niet. Ik sta hier ook maar.'
'Wat vind jij van de handelsrelatie tussen Amerika en Nederland?'
'Kom je uit Nederland?'
'Dat vraag ik niet.'
'Nou, ik vind de relatie tussen Amerika en ieder ander land één grote balzak, tegenwoordig met die ouwe demente wortel aan de macht, heb ik iets tegen Amerika gekregen.'
'Ja dat is niets!'
Hij bleek dezelfde naam als ik te hebben en werd mijn vriend van de avond. Hij kon dansen als Sid van Ice Age in de flow. Je kon zien dat hij hem voelde. Met zijn t-shirt en twee blonde vrouwtjes om hem heen, stapte hij naar voor, gooide z'n heupen los en danste met z'n armen losjes. Ik probeerde de schroom van me af te schudden door in het midden te gaan staan en zo achterlijk mogelijk te dansen. 'Moet je hem zien...'
Een meisje sprak: 'Waar ben jij mee bezig?'
'Ik ben bezig mezelf op te lossen.'
Ze begon een beetje te lachen, alsof ze het probeerde te onderdrukken.
Ik wist niet meer wat ik deed maar ging er mee door tot er iets kwam, een ingeving, een idee, een fijn gevoel. Ik wilde naar het bier toe, vluchten. Maar toen deed ik plotseling iets: ik pakte de hand van een blond meisje in een rood gestippeld jurkje. Ze kwam naar me toe terwijl ik een paar stapjes achteruit deed, draaide ze om haar as onder mijn begeleiding. We zwaaiden onze armen, hand in hand, heen en weer en kwamen onze gezichten dicht bij elkaar, en toen weer verder weg. Ik pakte haar middel en onze armen aan elkaar vast naar buiten gestrekt. We draaiden beiden om en pakten elkaars andere hand vast en legden onze rechter om het lichaam. Nog een draai om haar as; haar jurkje draaide sierlijk mee en kwam tot stilstand. Ze had een slank lichaam. Ze keek me aan met blauwe ogen, alsof die ogen iets vroegen, alsof ze zeiden: 'Doe iets.'
Ik wist niet wat ik moest doen en het was allemaal veel te zwoel. Maar toen kwam ik naar voren met m'n gezicht, keek niet wat er gebeurde en toen raakten onze lippen elkaar. Het waren zachte lippen, veilige lippen. Er kwam een tong tussen haar lippen door en ik deed hetzelfde. Ik pakte d'r middel en we zoenden. Ik voelde m'n zelfvertrouwenspijl plotseling rinkelen als de kop van jut.
Ik trok me terug. 'Hoe heet je, schat?'
'Wendy.' zei ze.
'Wat een mooie naam!'
'Vind je?'
'Je hebt echt een prachtnaam.' D'r gezicht was ovaal vormig met een puntig kinnetje, ze lachte lief met kleine lippen en een kleine neus. Haar ogen waren zo blauw dat ze uit een aquarium konden komen, een zeemeermin was ze.
'Dankje.'
'En een pracht gezicht.'
'Dankje.' zei ze en draaide haar gezicht verlegen, bijna blozend, een stukje opzij.
'Wil je wat drinken?'
'Ja lekker! Een wijntje?
'Wacht hier.' en bestelde twee drankjes, maar toen ik terug kwam... was ze verdwenen. Ik wachtte tot ze terug kwam, maar heb de hele avond niemand meer in een rood jurkje met witte bolletjes gezien.
Mijn naamgenoot was er nog wel. Ik gaf hem haar wijn. 'Wat heb ik fout gedaan?'
'Je hebt niks fout gedaan. Ze was een beetje bang, volgens mij, om dit soort spelletjes te spelen. Wist je dat Zweedse vrouwen eigenlijk heel erg preuts zijn?'
'Ik dacht dat ze een persoonlijkheid was.' Ik voelde me beroofd, een beetje leeg.
Maar de avond ging door.
Fantastisch geschreven. Leest heel lekker.
BeantwoordenVerwijderen